Clippings

Tin Jacobs, exihition retrospective, ‘Socio-Cutureel en Congrescentrum, Elzenveld VZW’31/10/2003 – 14/12/2003, Introduction By Paul Illegems, Professor of art history at the high school ‘Artesis’, Royal Academy of Fine Arts, Antwerp,

Graag heet ik iedereen welkom in de toverwereld van de schilderkunst, die Tin Jacobs hier voor ons heeft opengetrokken. Een toverwereld, omdat elk beeld dat we hier zien een verrassing is, die vér staat van wat we in de heden­daagse kunst gewend zijn.

Wie een tentoonstelling inleidt houdt eigenlijk een ver­kapte preek. Hij wil ons ervan doordringen dat er hogere waarden be­staan, die door de kunst worden belichaamd, en dat wij allen maar nietige stervelingen zijn, en niet bij machte om de diepere artistieke waarheden te door­gron­den. Van een pastoor vindt men het heel normaal dat hij zeurt, en ook de vernissagespre­ker wordt dit nooit kwalijk genomen – het hoort zo, men verwacht niet anders. En zoals men in de mis met wie­rook zwaait en sommige dingen in het Latijn zegt, zo hult ook de vernissage­spre­ker zijn toehoor­ders in heili­ge dampen en onver­staanba­re termino­logie.

Hij zal dan bijvoorbeeld beweren dat Tin Jacobs ‘pene­treert in verschil­lende as­pecten van haar cultuur maar zich tevens authen­tiek en misschien ook wat excentriek profi­leert tegen­over het veelbe­sproken ‘post­moder­nisme’. Of dat zij ‘tradi­tionele artistieke problemen uitwerkt zonder daarbij bedolven te worden onder het puin van de heersende mediacul­tuur’. Of dat ‘haar vragen over kunstgeschie­denis en contem­po­ranëiteit groeien uit een onweer­staanbare drift om over het leven te praten’. Of dat ‘de sleutel om haar werk te begrijpen ligt in de bijna para­doxale ont­moe­ting van historische en autobio­grafi­sche elemen­ten.’

Ik heb deze mooie frases gewoon uit een artikel van Florent Minne geplukt van 20 jaar terug.

Er is bij haar schilderijen een zekere weerbarstigheid voelbaar, een tegenzin om zich in een of andere categorie te laten inde­len, of om zich te voegen naar de normen van om het even welk soort kunst, of het nu het moder­nisme is, het conceptuele, het postmodernisme, of noem maar op. Het is alsof de schilder­kunst in haar geheel niet hele­maal beant­woordt aan wat zij ervan verwacht. Ze probeert te ontsnap­pen aan regels en routine, omdat die eigen­lijk al op voor­hand min of meer bepalen hoe een werk er zal gaan uitzien.

Maar ik vind dat elk schilderij van haar een enorme naturel heeft, zonder moeilijk te willen doen, en telkens weer heel persoonlijk en herkenbaar, ook al liggen de onderwerpen dikwijls ver uiteen.

Haar zelfportret als liggend naakt vind ik magistraal, en het is jammer dat Umberto Eco het niet op tijd gezien heeft, of hij had het ongetwij­feld mee in zijn tentoonstelling gestopt over Venussen en odalisken, die nu in Brussel loopt. Het schilderij verwijst natuurlijk rechtstreeks naar de Venus van Urbino van Titiaan, die op haar beurt weer geïnspi­reerd is door de Venus van Giorgio­ne, en die het vertrekpunt werd voor de Olympia van Manet. Kortzichtige naturen zouden zo’n nadruk­kelijk verband aanmati­gend kunnen vinden, maar dat is het natuurlijk geens­zins. Zij gaat gewoon even op de schoot zitten bij Manet en Titiaan, gezel­lig met een mooi glas wijn in de hand en haar leesbril­letje nog op, en als ik Manet was, ik zou zeggen: ‘Goed geprobeerd, Jacobs, proficiat, is er nog wat in die fles?’

En zo zijn er nog meer heel mooie dingen in deze tentoonstelling, zoals een ander zelfportret waarin zij omwikkeld is door een slang en ki­jkt alsof zij al een half uur lang haar adem inhoudt, of die feestelijke chocoladen paashaas, die misschien ook een zelfportret is, wie weet.

Als schilder wil zij de serieuze thema’s ter hand nemen, en er telkens weer naar terugkeren. Het zelfportret, het naakt, het landschap, moeder en kind, de boom, het dier, het stilleven. Zij streeft naar een academische volledigheid, zonder iemand na te volgen. Elk thema heeft zij bestudeerd in de kunstgeschie­denis, en zij geeft er een eigen draai aan door het lichtjes te ontwrichten. Er wordt iets aan toege­voegd dat er niet bij hoort en dat de kijker dus niet verwacht.

Kunnen we ons een eigentijdsere versie van moeder en kind voorstel­len, dan het werk ‘Sedes sapientiae’, waar ze samen aan de computer zitten? De titel betekent ‘zetel der wijsheid’ en is één van de vele bijnamen van de maagd Maria. Het wordt hierdoor in zekere zin ook een religieus schilderij, maar dan een zonder religie. Er is een expressie van concentratie en bezonkenheid, zoals in de Mariabeelden uit de middeleeuwen. Daarnet hoorde ik iemand zeggen: ‘Er is ook een God aanwezig, dat is die roodglanzende, alwetende computer op de voorgrond.’ Maar ik geloofde dat die een grapje maakte. Dat zou dan immers de God van het internet moeten zijn, die ons overspoelt met pulp en porno. Misschien geen slechtere god dan al de vorige, maar dit terzijde.

Tin Jacobs schrijft ook veel. Elk schilderij begint als een tekst, vertelde ze me, maar die teksten krijgen we niet te lezen. Ze gaan over haar bele­venissen, haar reizen, haar bedenkingen, haar observaties en dromen. Elk schilderij krijgt er een autobiografisch tintje door. Het zijn momenten uit haar leven die zij vastlegt voor zichzelf. Het onderwerp moet belang­rijk genoeg zijn, diep genoeg zitten, eer ze ertoe over­gaat, het uit te beelden. Die keuze is groten­deels een intuïtief proces, dat zich niet in woorden laat vatten.

De kijker kan het waarom van elk werk niet meteen achterhalen, en dat hoeft ook niet voor haar. Het beeld staat op zich en heeft geen verhaaltje nodig. De kijker legt zijn eigen associaties, en waarom zouden die minder interessant zijn dan wat Tin er zelf zoal bij denkt?

Het werk moet open blijven, en vele ingangen toelaten. Zo kan het voorko­men dat iemand bijzonder van een bepaald werk houdt om heel andere rede­nen dan de kunstenaar ooit bedoeld heeft.

Vrij associëren kan ik hier ook nog een hele tijd doen, maar er is geen enkele reden waarom mijn bedenkingen beter zouden zijn dan die van elk van u.

Ook kan ik wijzen op het hoge technische niveau van elk van haar werken, maar dat ziet iedereen zelf wel. Het is gewoon supergoed geschilderd, heel aandachtig en gecontroleerd, en telkens weer met een dosis lef in het kleurge­bruik, de compositie en de uitwerking van zekere details.

Misschien is het hier ook het moment om het even over het begrip ‘smaak’ te hebben. Smaak is zo’n ding waar de laatste decennia geen enkele criticus nog over praat, het lijkt geheel voorbijgestreefd, en u zult dit woord dan ook nergens nog tegenkomen. Een discussie over smaak is spreek­woordelijk zinloos, aangezien niemand zijn smaak nauw­keurig kan verwoor­den en verant­woor­den.

Vroeger moest de kunstenaar goede smaak hebben. Du bon goût. Het laat zich nog best omschrijven als een blijk van goede opvoe­ding. De kunstenaar wil niet uit de toon vallen, geen aanstoot of ergernis geven. Hij wil in vrede de normen respec­teren zoals die door het tijdsge­wricht worden voor­ge­schreven. Het nadeel is dat het nogal weinig persoon­lijk is. Goede smaak is het volgen van regels, en die regels zijn in de grond ethische con­venties. Een soort wellevend­heid dus, ietwat fantasie­loos en dus nogal saai.

Toen kwam er een moment dat men ‘slechte smaak’ veel interes­santer ging vinden. Bad painting! Junk art! Kitsch! Camp! Trash! Gaat u maar even kijken naar de laureaten van de Turner Prize. Maar slechte smaak kan helaas alleen maar het tegendeel van goede smaak zijn, met even zoveel varianten. Het meest verge­zochte kitsch-interieur verschilt niet wezen­lijk van het hyperge­sti­leerde architecten­bouwsel in Knack-Week­end. Goede zowel als slechte smaak verzan­den in het cliché. Allebei zijn ze de uitdruk­king van een zeker confor­misme, en dus voor de kunst niet echt van belang.

Dat een kunstenaar de goede smaak kan schenden, is al sinds Picabia een evidentie. Een interessante vraag die daaruit voortvloeit, is of het mogelijk zou zijn, ook de slechte smaak te schenden. Hoe zou zoiets moeten gebeuren? Of zou het dan meteen weer in goede smaak omslaan? Het schenden van de slechte smaak kan alleen, als het met de juiste smaak gebeurt. En dit is eigenlijk een derde categorie, die veel moeilijker te vatten is, omdat er geen regeltjes voor bestaan. Het werk van Tin Ja­cobs heeft misschien wel wat met deze vraagstelling te maken. Mij alleszins zet het aan om er verder over na te denken. Wat zij doet is een gevaarlijk balanceren tussen de twee, soms tegen de ene kant aanschurend, dan weer de perken van de andere kant lichtjes overschrij­dend, een soort zigzagbeweging. Zoiets is heel boeiend om te volgen. Bij elk nieuw werk wordt het weer een avon­tuur in de vrijheid van de kunst.

Wat ik er hier over verteld heb verklaart niet veel. Het is louter een per­soonlij­ke indruk. Men kan kunst trouwens helemaal niet verklaren, zelfs niet als het erg zwakke of mislukte kunst is. Men be­kijkt het beeld en neemt het in zich op. Maar dat lukt maar gedeeltelijk – elk toe­schou­wer ziet iets anders en verwerkt er dat op zijn manier. Men kan een schil­derij niet ‘uit’ hebben, zoals een boek.

En laat ons niet te gauw geloven dat kunst-met-uitleg beter is dan kunst tout court. Woorden wapperen in de wind, de kunst zit zwijg­zaam in een hoekje. Ik maak hier dan ook meteen een eind aan mijn gebabbel en zeg alleen nog: bekijk het allemaal nog eens een tweede en een derde keer.

Paul Ilegems